Bijbelboek - Markus

Hoofdstuk:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16

10:1 Jezus' kijk op echtscheiding
10:13 Jezus zegent de kinderen
10:17 De rijke man
10:32 Op weg naar Jeruzalem
10:35 De voornaamste onder de discipelen
10:46 Genezing van de blinde Bartimeüs

Evangelie van Markus - hoofdstuk 10

1 En Hij stond vandaar op en kwam in het gebied van Judea en het Overjordaanse; en er kwamen opnieuw menigten bij Hem samen; en zoals Hij gewoon was, leerde Hij hen weer.

2 En de farizeeen kwamen bij Hem en vroegen Hem of het een man geoorloofd is zijn vrouw te verstoten, - om Hem te verzoeken.

3 Hij nu antwoordde en zei tot hen: Wat heeft Mozes u geboden?

4 Zij nu zeiden: Mozes heeft toegestaan een scheidbrief te schrijven en haar te verstoten.

5 Jezus nu zei tot hen: Om de hardheid van uw hart heeft hij u dit gebod geschreven;

6 van het begin van de schepping echter heeft Hij hen mannelijk en vrouwelijk gemaakt.

7 'Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen en die twee zullen tot een vlees zijn',

8 zodat zij niet meer twee maar een vlees zijn.

9 Wat dan God heeft samengevoegd, laat een mens dat niet scheiden.

10 En in huis vroegen zijn discipelen Hem opnieuw hierover.

11 En Hij zei tot hen: Wie zijn vrouw verstoot en met een ander trouwt, pleegt overspel jegens haar.

12 En als zij na haar man verstoten te hebben met een andere trouwt, pleegt zij overspel.

13 En zij brachten kinderen bij Hem, opdat Hij hen zou aanraken; de discipelen echter bestraften hen.

14 Toen Jezus echter dit zag, nam Hij het hun zeer kwalijk en zei bestraffend tot hen: Laat de kinderen bij Mij komen, verhindert ze niet, want van de zodanigen is het koninkrijk van God.

15 Voorwaar, Ik zeg u: wie het koninkrijk van God niet ontvangt als een kind, zal er geenszins binnengaan.

16 En Hij nam ze in zijn armen, legde zijn handen op hen en zegende hen.

17 En toen Hij naar buiten ging, de weg op, liep iemand snel op Hem toe; en hij viel voor Hem op de knieen en vroeg Hem: Goede Meester, wat moet ik doen om eeuwig leven te beerven?

18 Jezus echter zei tot hem: Waarom noemt u Mij goed? Niemand is goed dan Een: God.

19 De geboden kent u: U zult niet doden, u zult geen overspel plegen, u zult niet stelen, u zult niet vals getuigen, u zult niemand te kort doen, eer uw vader en uw moeder.

20 Hij nu zei tot Hem: Meester, dit alles heb ik onderhouden van mijn jeugd af.

21 Jezus nu keek hem aan en had hem lief, en Hij zei tot hem: Een ding ontbreekt u: ga heen, verkoop alles wat u hebt en geef het aan de armen, en u zult een schat hebben in de hemel, en kom, volg Mij.

22 Hij echter werd treurig over dat woord en ging bedroefd weg, want hij had vele bezittingen.

23 En terwijl Jezus rondkeek, zei Hij tot zijn discipelen: Hoe moeilijk zullen zij die vermogen hebben het koninkrijk van God binnengaan.

24 De discipelen nu stonden verbaasd over zijn woorden. Jezus echter antwoordde opnieuw en zei tot hen: Kinderen, hoe moeilijk is het voor hen die op vermogen vertrouwen, het koninkrijk van God binnen te gaan.

25 Het is gemakkelijker dat een kameel door het oog van de naald gaat, dan dat een rijke het koninkrijk van God binnengaat.

26 Zij echter stonden nog meer versteld en zeiden tot elkaar: Wie kan dan behouden worden?

27 Jezus keek hen aan en zei: Bij mensen is het onmogelijk, maar niet bij God, want alles is mogelijk bij God.

28 Petrus begon tot Hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn U gevolgd.

29 Jezus zei: Voorwaar, Ik zeg u: er is niemand die zijn huis, broers, zusters, moeder, vader, kinderen of akkers heeft verlaten ter wille van Mij en ter wille van het evangelie,

30 die niet honderdvoudig ontvangt, nu in deze tijd: huizen, broeders, zusters, moeders, kinderen en akkers, met vervolgingen, en in de toekomstige eeuw eeuwig leven.

31 Vele eersten echter zullen de laatsten zijn, en de laatsten de eersten.

32 Zij nu waren onderweg en trokken op naar Jeruzalem, en Jezus ging hun voor; en zij stonden verbaasd, ja, terwijl zij volgden, waren zij bang. En Hij nam opnieuw de twaalf tot Zich en begon hun te zeggen wat Hem zou overkomen:

33 Zie, wij trekken op naar Jeruzalem, en de Zoon des mensen zal overgeleverd worden aan de overpriesters en de schriftgeleerden, en zij zullen Hem ter dood veroordelen en Hem overleveren aan de volken;

34 en zij zullen Hem bespotten, Hem bespuwen, Hem geselen en doden; en na drie dagen zal Hij opstaan.

35 En Jakobus en Johannes, de zonen van Zebedeus, kwamen bij Hem en zeiden tot Hem: Meester, wij zouden willen dat U ons doet wat wij ook van U vragen.

36 Hij nu zei tot hen: Wat wilt u dat Ik u doe?

37 Zij nu zeiden tot Hem: Geef ons dat wij mogen zitten, een aan uw rechterhand en een aan uw linkerhand, in uw heerlijkheid.

38 Jezus echter zei tot hen: U weet niet wat u vraagt. Kunt u de drinkbeker drinken die Ik drink, of met de doop worden gedoopt waarmee Ik word gedoopt?

39 Zij nu zeiden tot Hem: Wij kunnen het. Jezus nu zei tot hen: De drinkbeker die Ik drink, zult u drinken, en met de doop waarmee Ik word gedoopt, zult u worden gedoopt;

40 maar het zitten aan mijn rechterhand of aan mijn linkerhand is niet aan Mij om te geven, maar is voor hen wie het is bereid.

41 En toen de tien dit hoorden, begonnen zij het Jakobus en Johannes zeer kwalijk te nemen.

42 En Jezus riep hen bij Zich en zei tot hen: U weet, dat zij die beschouwd worden als oversten van de volken, over hen heersen en hun groten gezag over hen voeren.

43 Zo is het echter niet onder u;

44 maar wie onder u groot wil worden, zal uw dienstknecht zijn, en wie onder u de eerste wil zijn, zal slaaf van allen zijn.

45 Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijn leven te geven tot een losprijs voor velen.

46 En zij kwamen in Jericho; en toen Hij Jericho uitging met zijn discipelen en een aanzienlijke menigte, zat de zoon van Timeus, Bartimeus, een blinde bedelaar, langs de weg.

47 En toen hij had gehoord dat het Jezus de Nazarener was, begon hij de woorden te roepen: Zoon van David, Jezus, erbarm U over mij!

48 En velen waarschuwden hem dat hij zou zwijgen; hij riep echter des te meer: Zoon van David, erbarm U over mij!

49 En Jezus bleef staan en zei: Roept hem; en zij riepen de blinde en zeiden tot hem: Heb goede moed, sta op, Hij roept u.

50 Hij nu wierp zijn kleed af, sprong op en kwam bij Jezus.

51 En Jezus antwoordde hem en zei: Wat wilt u dat Ik u doe? De blinde nu zei tot Hem: Rabboeni, dat ik weer kan zien.

52 En Jezus zei tot hem: Ga heen, uw geloof heeft u behouden. En terstond kon hij weer zien, en hij volgde Hem op de weg.