Bijbelboek - Markus

Hoofdstuk:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16

11:1 Jezus bereikt Jeruzalem
11:12 De vijgeboom vervloekt
11:15 Tempelreiniging
11:20 De les van de verdorde vijgeboom
11:27 Vraag over het gezag van Jezus

Evangelie van Markus - hoofdstuk 11

1 En toen zij Jeruzalem naderden, bij Bethfage en Bethanie aan de Olijfberg, zond Hij twee van zijn discipelen

2 en zei tot hen: Gaat naar het dorp dat tegenover u ligt, en terstond als u er ingaat, zult u een veulen vastgebonden vinden waarop geen mens ooit heeft gezeten; maakt het los en brengt het mee.

3 En als iemand tot u zegt: Waarom doet u dit?, zegt dan: De Heer heeft het nodig, en terstond zendt hij het weer hierheen.

4 En zij gingen weg en vonden een veulen vastgebonden bij een deur, buiten aan de straat, en zij maakten het los.

5 En sommigen van hen die daar stonden, zeiden tot hen: Wat doet u, dat u het veulen losmaakt?

6 Zij nu spraken tot hen zoals Jezus had gezegd; en zij lieten hen begaan.

7 En zij brachten het veulen naar Jezus en wierpen hun kleren daarop, en Hij ging erop zitten.

8 En velen spreidden hun kleren over de weg, en anderen takken, die zij van de velden hakten.

9 En zij die vooruitgingen en zij die volgden, riepen:

10 Hosanna! Gezegend Hij die komt in de naam van de Heer! Gezegend het komende koninkrijk van onze vader David! Hosanna in de hoogste hemelen!

11 En Hij ging Jeruzalem binnen, de tempel binnen, en nadat Hij alles rondom had bekeken, ging Hij, daar het al laat was, naar buiten naar Bethanie met de twaalf.

12 En de volgende dag, toen zij uit Bethanie gingen, had Hij honger.

13 En toen Hij in de verte een vijgeboom zag die bladeren had, ging Hij kijken of Hij daar misschien iets aan zou vinden; en daarbij gekomen vond Hij niets dan bladeren, want het was niet de tijd van de vijgen.

14 En Hij antwoordde en zei tot hem: Laat niemand meer vrucht van u eten in eeuwigheid! En zijn discipelen hoorden het.

15 En zij kwamen in Jeruzalem; en toen Hij de tempel was ingegaan, begon Hij hen die verkochten en kochten in de tempel, uit te drijven, en de tafels van de wisselaars en de stoelen van hen die de duiven verkochten, keerde Hij om;

16 en Hij liet niet toe dat iemand een voorwerp door de tempel droeg.

17 En Hij leerde en zei tot hen: Staat er niet geschreven:' Mijn huis zal een huis van gebed worden genoemd voor alle volken'?

18 U hebt er echter een rovershol van gemaakt. En de overpriesters en de schriftgeleerden hoorden het en zochten hoe zij Hem zouden ombrengen, want zij waren bang voor Hem, want de hele menigte stond versteld over zijn leer.

19 En toen het laat was geworden, gingen zij naar buiten, de stad uit.

20 En toen zij 's morgens vroeg voorbijgingen, zagen zij dat de vijgeboom verdord was van de wortels af.

21 En Petrus herinnerde het zich en zei tot Hem: Rabbi, zie, de vijgeboom die U vervloekt hebt, is verdord.

22 En Jezus antwoordde en zei tot hen: Hebt geloof in God.

23 Voorwaar, Ik zeg u, dat wie tot deze berg zegt: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet twijfelt in zijn hart, maar gelooft dat wat hij spreekt gebeurt, het zal hem gebeuren.

24 Daarom zeg Ik u: alles wat u maar bidt en vraagt, gelooft dat u het ontvangt, en het zal u gebeuren.

25 En wanneer u staat te bidden, vergeeft als u iets tegen iemand hebt, opdat ook uw Vader die in de hemelen is, u uw overtredingen vergeeft.

27 En zij kwamen weer in Jeruzalem; en toen Hij in de tempel wandelde, kwamen de overpriesters, de schriftgeleerden en de oudsten naar Hem toe

28 en zeiden tot Hem: Op welk gezag doet U deze dingen? Of wie heeft U dit gezag gegeven om deze dingen te doen?

29 Jezus nu zei tot hen: Ik zal U een ding vragen, en antwoordt Mij, en Ik zal u zeggen op welk gezag Ik deze dingen doe.

30 Was de doop van Johannes uit de hemel of uit mensen? Antwoordt Mij.

31 En zij overlegden onder elkaar en zeiden: Als wij zeggen: Uit de hemel, zal Hij zeggen: Waarom hebt u hem dan niet geloofd?

32 Maar zouden wij zeggen: Uit mensen?.. Zij waren bang voor de menigte, want allen hielden het ervoor dat Johannes werkelijk een profeet was.

33 En zij antwoordden Jezus en zeiden: Wij weten het niet. En Jezus zei tot hen: Dan zeg Ik u ook niet op welk gezag Ik deze dingen doe.