Bijbelboek - Markus

Hoofdstuk:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16

13:1 Jezus over de eindtijd
13:32 Dag en uur onbekend

Evangelie van Markus - hoofdstuk 13

1 En toen Hij uit de tempel ging, zei een van zijn discipelen tot Hem: Meester, zie, wat een grote stenen en wat een grote gebouwen!

2 En Jezus zei tot hem: Zie je deze grote gebouwen? Er zal hier geen enkele steen op de andere steen gelaten worden die niet zal worden afgebroken.

3 En toen Hij op de Olijfberg zat, tegenover de tempel, vroegen Petrus, Jakobus, Johannes en Andreas Hem afzonderlijk:

4 Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn, en wat is het teken wanneer al deze dingen in vervulling zullen gaan?

5 Jezus nu begon hun te zeggen: Kijkt u uit dat niemand u misleidt.

6 Velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben het, en zij zullen velen misleiden.

7 Wanneer u nu zult horen van oorlogen en geruchten van oorlogen, wordt niet verschrikt, want het moet gebeuren, maar het is nog niet het einde;

8 want volk zal opstaan tegen volk en koninkrijk tegen koninkrijk. Er zullen aardbevingen zijn in verschillende plaatsen; en er zullen hongersnoden en onlusten zijn. Deze dingen zijn een begin van de weeen.

9 Kijkt u echter uit voor uzelf; zij zullen u overleveren aan raadsvergaderingen en in synagogen zult u worden geslagen en voor stadhouders en koningen zult u worden gesteld ter wille van Mij, tot een getuigenis voor hen;

10 en aan alle volken moet eerst het evangelie worden gepredikt.

11 En wanneer zij u wegleiden om u over te leveren, weest tevoren niet bezorgd wat u zult spreken, maar al wat u op dat uur zal worden gegeven, spreekt dat; want u bent het niet die spreekt, maar de Heilige Geest.

12 En de ene broer zal de andere broer tot de dood overleveren en een vader zijn kind; en kinderen zullen opstaan tegen ouders en hen ter dood brengen.

13 En u zult door allen worden gehaat ter wille van mijn naam; wie echter zal volharden tot het einde, die zal behouden worden.

14 Wanneer u nu de gruwel van de verwoesting zult zien staan waar het niet behoort, - laat hij die het leest erop letten! - laten dan zij die in Judea zijn, vluchten naar de bergen;

15 laat hij die op het dak is, niet naar beneden gaan en niet naar binnen gaan om iets uit zijn huis te halen;

16 en laat hij die op het veld is, niet terugkeren naar wat achter hem ligt om zijn kleed te halen.

17 Wee echter de zwangeren en de zogenden in die dagen.

18 Bidt ook dat het niet 's winters gebeurt.

19 Want die dagen zullen zo'n verdrukking zijn als er niet geweest is van het begin van de schepping die God heeft geschapen, tot nu toe, en er geenszins meer zal komen.

20 En als de Heer die dagen niet had verkort, zou geen vlees behouden worden, maar ter wille van de uitverkorenen die Hij heeft uitverkoren, heeft Hij die dagen verkort.

21 En als dan iemand tot u zegt: Zie, hier is de Christus, zie, Hij is daar, gelooft het niet.

22 Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en tekenen en wonderen geven om zo mogelijk de uitverkorenen te misleiden.

23 Kijkt u echter uit! Van tevoren heb Ik u alles gezegd.

24 Maar in die dagen, na die verdrukking, zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar schijnsel niet geven,

25 en de sterren zullen uit de hemel vallen en de krachten die in de hemelen zijn, zullen wankelen.

26 En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in wolken, met grote kracht en heerlijkheid.

27 En dan zal Hij zijn engelen uitzenden en zijn uitverkorenen bijeenverzamelen uit de vier windstreken van het einde van de aarde tot het einde van de hemel.

28 Leert nu van de vijgeboom deze gelijkenis: Wanneer zijn tak al zacht wordt en de bladeren uitspruiten, dan weet u dat de zomer nabij is.

29 Zo ook u, wanneer u deze dingen zult zien gebeuren, weet dan dat het nabij is, voor de deur.

30 Voorwaar, Ik zeg u: dit geslacht zal geenszins voorbijgaan totdat al deze dingen zijn gebeurd.

31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijn woorden zullen geenszins voorbijgaan.

32 Van die dag of dat uur echter weet niemand, ook de engelen in de hemel niet, ook de Zoon niet, behalve de Vader.

33 Kijkt u uit, waakt en bidt; want u weet niet wanneer het de tijd is:

34 zoals een mens die buitenslands gaat, zijn huis verlaat en aan zijn slaven macht geeft, aan ieder zijn werk, en de deurwachter gebiedt te waken.

35 Waakt dan! Want u weet niet wanneer de heer van het huis komt, 's avonds of te middernacht of met het hanengekraai of 's morgens vroeg;

36 opdat hij, als hij plotseling komt, u niet in slaap vindt.

37 Wat Ik nu tot u zeg, zeg Ik tot allen: Waakt!