Bijbelboek - Markus

Hoofdstuk:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16

2:1 De genezing van een verlamde
2:13 Jezus op bezoek bij Levi, de tolontvanger
2:18 Jezus' kijk op het vasten en de sabbat
2:23 Aren plukken op de sabbat

Evangelie van Markus - hoofdstuk 2

1 En na enige dagen kwam Hij opnieuw in Kapernaum, en men hoorde dat Hij in huis was.

2 En er verzamelden zich velen, zodat er zelfs bij de deur geen plaats meer was; en Hij sprak het woord tot hen.

3 En er kwamen er die een verlamde bij Hem brachten, door vier mannen gedragen.

4 En daar zij hem niet bij Hem konden brengen vanwege de menigte, namen zij de dakbedekking weg waar Hij was; en na het dak opengebroken te hebben lieten zij het rustbed neer waarop de verlamde lag.

5 En toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tot de verlamde: Kind, uw zonden worden vergeven.

6 Nu zaten daar enige schriftgeleerden, die in hun harten overlegden:

7 Waarom spreekt Deze zo? Hij lastert; wie kan zonden vergeven dan Een: God?

8 En terstond onderkende Jezus in zijn geest dat zij zo bij zichzelf overlegden en zei tot hen: Waarom overlegt u deze dingen in uw harten?

9 Wat is gemakkelijker: te zeggen tot de verlamde: Uw zonden worden vergeven, of te zeggen: Sta op, neem uw rustbed op en loop?

10 Maar opdat u weet dat de Zoon des mensen macht heeft op de aarde zonden te vergeven, - zei Hij tot de verlamde:

11 Ik zeg u: sta op, neem uw rustbed op en ga naar uw huis.

12 En hij stond op en na terstond het rustbed opgenomen te hebben ging hij in het bijzijn van allen naar buiten, zodat allen buiten zichzelf waren en God verheerlijkten en zeiden: Zoiets hebben wij nog nooit gezien!

13 En Hij ging opnieuw naar buiten naar de zee; en de hele menigte kwam naar Hem toe en Hij leerde hen.

14 En toen Hij verder ging, zag Hij Levi, de zoon van Alfeus, bij het tolhuis zitten; en Hij zei tot hem: Volg Mij. En hij stond op en volgde Hem.

15 En het gebeurde dat Hij in zijn huis aanlag, en vele tollenaars en zondaars lagen mee aan met Jezus en zijn discipelen, want zij waren met velen en zij volgden Hem.

16 En toen de schriftgeleerden en de farizeeen Hem zagen eten met de zondaars en tollenaars, zeiden zij tot zijn discipelen: Waarom eet en drinkt Hij met de tollenaars en zondaars?

17 En toen Jezus dit hoorde, zei Hij tot hen: Zij die gezond zijn, hebben geen arts nodig, maar zij die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om rechtvaardigen te roepen, maar zondaars.

18 En de discipelen van Johannes en de farizeeen waren aan het vasten; en zij kwamen en zeiden tot Hem: Waarom vasten de discipelen van Johannes en de discipelen van de farizeeen, maar uw discipelen vasten niet?

19 En Jezus zei tot hen: Kunnen de bruiloftsgasten soms vasten, terwijl de bruidegom bij hen is? Zolang zij de bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten.

20 Maar er zullen dagen komen dat de bruidegom van hen wordt weggenomen en dan zullen zij vasten, in die dag.

21 Niemand naait een lap nieuwe stof op een oud kleed; anders scheurt het nieuwe ingezette stuk iets van het oude kleed zelf af en de scheur wordt erger.

22 En niemand doet jonge wijn in oude zakken; anders zal de wijn de zakken doen barsten en de wijn wordt uitgestort en de zakken gaan verloren; maar jonge wijn moet men in nieuwe zakken doen.

23 En het gebeurde dat Hij op de sabbat door de korenvelden ging, en zijn discipelen begonnen onder het lopen de aren te plukken.

24 En de farizeeen zeiden tot Hem: Zie, waarom doen zij op de sabbat wat niet geoorloofd is?

25 En Hij zei tot hen: Hebt u nooit gelezen wat David deed toen hij gebrek leed en honger had, hij en zij die bij hem waren?

26 Hoe hij het huis van God binnenging onder hogepriester Abjathar en de toonbroden at die men niet mag eten behalve de priesters, en ook gaf aan hen die bij hem waren?

27 En Hij zei tot hen: De sabbat is gemaakt om de mens, en niet de mens om de sabbat.

28 Daarom is de Zoon des mensen Heer ook van de sabbat.