Bijbelboek - Markus

Hoofdstuk:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16

3:1 Genezing van een verschrompelde hand
3:7 Genezingen bij de zee
3:13 Jezus kiest Zijn twaalf vaste discipelen
3:20 Jezus en de satan
3:31 De verwanten van Jezus

Evangelie van Markus - hoofdstuk 3

1 En Hij kwam opnieuw in de synagoge; en daar was een mens met een verschrompelde hand.

2 En zij letten op Hem of Hij hem op de sabbat zou genezen, om Hem te kunnen aanklagen.

3 En Hij zei tot de mens met de verschrompelde hand: Kom in het midden staan!

4 En Hij zei tot hen: Is het geoorloofd op de sabbat goed te doen of kwaad te doen, een leven te behouden of te doden? Maar zij zwegen.

5 En Hij keek hen rondom met toorn aan, bedroefd over de verharding van hun hart, en zei tot de mens: Strek uw hand uit. En hij strekte die uit en zijn hand werd hersteld.

6 En de farizeeen gingen terstond naar buiten met de herodianen en beraadslaagden tegen Hem, hoe zij Hem zouden ombrengen.

7 En Jezus trok Zich met zijn discipelen terug naar de zee; en een grote volksmassa van Galilea volgde Hem

8 en van Judea en van Jeruzalem en van Idumea en het Overjordaanse en rond Tyrus en Sidon, een grote volksmassa, hoorden wat Hij deed en kwamen naar Hem toe.

9 En Hij zei tot zijn discipelen dat een scheepje bij Hem moest blijven vanwege de menigte, opdat zij Hem niet zouden verdringen.

10 Want Hij genas velen, zodat allen die kwalen hadden op Hem aandrongen, om Hem aan te raken.

11 En als de onreine geesten Hem zagen, vielen zij voor Hem neer en schreeuwden de woorden: U bent de Zoon van God!

12 En Hij waarschuwde hen dringend dat zij Hem niet openbaar zouden maken.

13 En Hij klom op de berg en riep bij Zich hen die Hijzelf wilde, en zij kwamen naar Hem toe.

14 En Hij stelde er twaalf aan, die Hij ook apostelen noemde, opdat zij bij Hem zouden zijn en opdat Hij hen zou uitzenden om te prediken

15 en om macht te hebben de demonen uit te drijven.

16 En Hij stelde de twaalf aan en gaf Simon de naam Petrus;

17 en Jakobus, de zoon van Zebedeus, en Johannes, de broer van Jakobus, en Hij gaf hun de naam Boanerges, dat is zonen van de donder;

18 en Andreas, Filippus, Bartholomeus, Mattheus, Thomas, Jakobus, de zoon van Alfeus, Thaddeus, Simon de Kanaaniet

19 en Judas Iskariot, die Hem ook heeft overgeleverd.

20 En Hij kwam in huis; en opnieuw verzamelde zich een menigte, zodat zij zelfs geen brood konden eten.

21 En toen zijn verwanten dit hoorden, gingen zij heen om Hem te grijpen, want zij zeiden: Hij is buiten Zichzelf.

22 En de schriftgeleerden die van Jeruzalem waren afgedaald, zeiden: Hij heeft Beelzebul; en: Door de overste van de demonen drijft Hij de demonen uit.

23 En Hij riep hen bij Zich en zei tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan de satan uitdrijven?

24 En als een koninkrijk tegen zichzelf verdeeld is, kan dat koninkrijk niet standhouden.

25 En als een huis tegen zichzelf verdeeld is, zal dat huis niet kunnen standhouden.

26 En als de satan opstaat tegen zichzelf en verdeeld is, kan hij niet standhouden, maar is het met hem ten einde.

27 Maar niemand die het huis van de sterke binnengaat, kan zijn huisraad roven, als hij niet eerst de sterke bindt; en dan zal hij zijn huis beroven.

28 Voorwaar, Ik zeg u, dat alles de zonen der mensen zal worden vergeven, alle zonden en lasteringen waarmee zij ook maar lasteren;

29 maar wie zal lasteren tegen de Heilige Geest, heeft geen vergeving in eeuwigheid, maar is schuldig aan een eeuwige zonde

30 -omdat zij zeiden: Hij heeft een onreine geest.

31 En zijn moeder en zijn broers kwamen, en terwijl zij buiten stonden, zonden zij iemand naar Hem toe om Hem te roepen.

32 En een menigte zat om Hem heen. En zij zeiden tot Hem: Zie, uw moeder en uw broers en uw zusters daarbuiten zoeken u.

33 En Hij antwoordde hun en zei: Wie is mijn moeder en mijn broeders?

34 En terwijl Hij hen, die om Hem heen zaten, rondom aankeek, zei Hij: Zie, mijn moeder en mijn broeders!

35 Want wie de wil van God doet, die is mijn broeder en zuster en moeder.