Bijbelboek - Markus

Hoofdstuk:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16

4:1 Gelijkenis van de zaaier
4:10 Waarom gelijkenissen?
4:13 Uitleg van de gelijkenis van de zaaier
4:21 Een lamp onder een korenmaat
4:26 Gelijkenis van het vanzelf groeiende zaad
4:30 Gelijkenis van het mosterdzaad
4:33 Het gebruik van gelijkenissen
4:35 Storm op zee

Evangelie van Markus - hoofdstuk 4

1 En Hij begon opnieuw te leren bij de zee. En een zeer grote menigte verzamelde zich bij Hem, zodat Hij aan boord van een schip ging en daarin neerzat op de zee, en de hele menigte was aan de zee op het land.

2 En Hij leerde hun door gelijkenissen vele dingen; en Hij zei in zijn leer tot hen:

3 Hoort! Zie, de zaaier ging uit om te zaaien.

4 En het gebeurde bij het zaaien, dat het ene zaad bij de weg viel, en de vogels kwamen en aten het op.

5 En ander zaad viel op de rotsachtige bodem, waar het niet veel aarde had, en het kwam terstond op, doordat het geen diepe aarde had.

6 En toen de zon was opgegaan, verschroeide het, en doordat het geen wortel had, verdorde het.

7 En ander zaad viel tussen de dorens, en de dorens schoten op en verstikten het, en het gaf geen vrucht.

8 En andere zaden vielen in de goede aarde, schoten op, groeiden en gaven vrucht, en het ene droeg dertigvoudig, het andere zestigvoudig en het andere honderdvoudig.

9 En Hij zei: Wie oren heeft om te horen, laat hij horen.

10 En toen Hij alleen was, vroegen zij die Hem omringden, met de twaalf, Hem naar de gelijkenissen.

11 En Hij zei tot hen: U is de verborgenheid van het koninkrijk van God gegeven; maar tot hen die buiten zijn, komt alles in gelijkenissen,

12 opdat zij kijkend kijken en niet zien, en horend horen en niet verstaan; opdat zij niet misschien zich bekeren en hun vergeven wordt.

13 En Hij zei tot hen: Weet u deze gelijkenis niet? En hoe zult u alle gelijkenissen kennen?

14 De zaaier zaait het woord.

15 Dit nu zijn zij die bij de weg zijn, waar het woord wordt gezaaid: en wanneer zij horen, komt terstond de satan en neemt het woord weg dat in hen was gezaaid.

16 En dit zijn zij die op de rotsachtige bodems worden gezaaid, die wanneer zij het woord horen, het terstond met vreugde aannemen;

17 en zij hebben geen wortel in zichzelf, maar zijn mensen van het ogenblik; als daarna verdrukking of vervolging komt om het woord, dan worden zij terstond ten val gebracht.

18 En anderen zijn zij die tussen de dorens worden gezaaid; dit zijn zij die het woord hebben gehoord,

19 en de zorgen van het leven, het bedrieglijke van de rijkdom en de begeerten naar de overige dingen komen binnen en verstikken het woord en het wordt onvruchtbaar.

20 En dit zijn zij die in de goede aarde zijn gezaaid: zij die het woord horen en ontvangen en vrucht dragen, het ene deel dertigvoudig, het andere zestigvoudig en het andere honderdvoudig.

21 En Hij zei tot hen: Komt de lamp soms om onder de korenmaat of onder het bed gezet te worden, en niet om op de kandelaar gezet te worden?

22 Want er is niets verborgen dan om geopenbaard te worden; en er gebeurt niets om geheim te zijn, maar om in het openbaar te komen.

23 Als iemand oren heeft om te horen, laat hij horen!

24 En Hij zei tot hen: Kijkt u uit wat u hoort. Met de maat waarmee u meet, zal u gemeten worden, en u die hoort zal toegevoegd worden.

25 Want wie heeft, hem zal worden gegeven; en wie niet heeft, ook wat hij heeft zal van hem worden genomen.

26 En Hij zei: Zo is het koninkrijk van God, als een mens die het zaad in de aarde werpt

27 en slaapt en opstaat, nacht en dag, en het zaad spruit uit en wordt lang, zonder dat hijzelf weet hoe.

28 De aarde draagt vanzelf vrucht, eerst de halm, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.

29 Wanneer nu de vrucht zich voordoet, zendt hij terstond de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.

30 En Hij zei: Hoe zullen wij het koninkrijk van God vergelijken, of met welke gelijkenis zullen wij het voorstellen?

31 Als een mosterdzaad, dat wanneer het op de aarde wordt gezaaid, kleiner is dan alle zaden die op de aarde zijn;

32 en wanneer het is gezaaid, komt het op en wordt groter dan alle groenten en maakt grote takken, zodat de vogels van de hemel onder zijn schaduw kunnen nestelen.

33 En met vele zulke gelijkenissen sprak Hij het woord tot hen, naardat zij het konden horen;

34 maar zonder gelijkenis sprak Hij niet tot hen, maar afzonderlijk verklaarde Hij alles aan zijn eigen discipelen.

35 En Hij zei tot hen op die dag, toen het avond was geworden: Laten wij oversteken naar de overkant!

36 En met achterlating van de menigte namen zij Hem, zoals Hij was, in het schip mee; en nog andere schepen waren er bij Hem.

37 En er ontstond een hevige stormwind en de golven sloegen in het schip, zodat het schip al vol liep.

38 En Hij lag in het achterschip op het kussen te slapen; en zij wekten Hem en zeiden tot Hem: Meester, bekommert U Zich er niet om dat wij vergaan?

39 En wakker geworden bestrafte Hij de wind en zei tot de zee: Zwijg, wees stil! En de wind ging liggen en er ontstond een grote stilte.

40 En Hij zei tot hen: Waarom bent u zo angstig? Hebt u nog geen geloof?

41 En zij vreesden met grote vrees en zeiden tot elkaar: Wie is toch Deze, dat zelfs de wind en de zee Hem gehoorzamen?