Bijbelboek - Markus

Hoofdstuk:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16

5:1 Boze geesten op de vlucht voor Jezus
5:21 De genezing van het dochtertje van Jaïrus

Evangelie van Markus - hoofdstuk 5

1 En zij kwamen aan de overkant van de zee in het land van de Gerasenen.

2 En toen Hij uit het schip was gegaan, kwam Hem terstond uit de graven een mens tegemoet met een onreine geest,

3 die zijn woning in de graven had; en zelfs niet met een keten kon ook maar iemand hem meer binden;

4 want dikwijls was hij met voetboeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren door hem stuk getrokken en de boeien verbrijzeld, en niemand was in staat hem te bedwingen.

5 En hij was altijd, nacht en dag, in de graven en op de bergen en schreeuwde en sloeg zichzelf met stenen.

6 En toen hij Jezus uit de verte zag, liep hij toe en huldigde Hem;

7 en hij schreeuwde met luider stem de woorden: Wat heb ik met U te maken, Jezus, Zoon van God de Allerhoogste? Ik bezweer U bij God, pijnig mij niet!

8 Want Hij had tot hem gezegd: Onreine geest, ga uit van deze mens!

9 En Hij vroeg hem: Wat is je naam?

10 En hij zei tot Hem: Legioen is mijn naam, want wij zijn velen. En hij smeekte Hem dringend dat Hij hen niet buiten het land zou zenden.

11 Nu was daar bij de berg een grote kudde varkens aan het weiden.

12 En zij smeekten Hem aldus: Zend ons in de varkens, opdat wij daarin gaan.

13 En Jezus liet het hun toe. En de onreine geesten gingen uit de man en gingen in de varkens; en de kudde stortte zich van de steilte in de zee, ongeveer tweeduizend, en zij verdronken in de zee.

14 En zij die ze weidden, vluchtten en berichtten het in de stad en op de velden. En zij kwamen zien wat er was gebeurd.

15 En zij kwamen tot Jezus en zagen de bezetene zitten, gekleed en goed bij zijn verstand, hem die het legioen had gehad, en zij werden bevreesd.

16 En zij die het hadden gezien, vertelden hun hoe het met de bezetene was gebeurd, en over de varkens.

17 En zij begonnen Hem te smeken uit hun gebied weg te gaan.

18 En toen Hij in het schip ging, smeekte Hem degene die bezeten was geweest, bij Hem te mogen zijn.

19 En Hij stond het hem niet toe, maar zei tot hem: Ga naar uw huis tot de uwen, en bericht hun alles wat de Heer aan u heeft gedaan, en hoe Hij Zich over u heeft erbarmd.

20 En hij ging weg en begon in Dekapolis te prediken alles wat Jezus aan hem had gedaan; en allen verwonderden zich.

21 En toen Jezus in het schip opnieuw naar de overkant was gevaren, verzamelde zich een grote menigte bij Hem; en Hij was aan de zee.

22 En er kwam een van de oversten van de synagoge, Jairus geheten; en toen hij Hem zag, viel hij aan zijn voeten

23 en smeekte Hem dringend aldus: Mijn dochtertje ligt op haar uiterste; kom toch en leg haar de handen op, opdat zij behouden wordt en leeft.

24 En Hij ging met hem weg. En een grote menigte volgde Hem en drong tegen Hem op.

25 En een vrouw die twaalf jaar een bloedvloeiing had gehad

26 en veel had geleden van vele artsen, en alles wat van haar was, besteed en geen enkele baat gevonden had maar veeleer achteruit was gegaan,

27 had over Jezus gehoord en kwam in de menigte van achteren en raakte zijn kleed aan;

28 want zij zei: Als ik maar zijn kleren aanraak, zal ik behouden worden.

29 En terstond droogde de bron van haar bloeding op en zij merkte aan haar lichaam, dat zij van de kwaal gezond was geworden.

30 En terstond onderkende Jezus in Zichzelf de kracht die van Hem was uitgegaan, keerde Zich om in de menigte en zei: Wie heeft mijn kleren aangeraakt?

31 En zijn discipelen zeiden tot Hem: U ziet dat de menigte tegen U opdringt, en U zegt: Wie heeft Mij aangeraakt?

32 En Hij keek rond om haar te zien die dat had gedaan.

33 De vrouw nu, bang en bevend, daar zij wist wat er met haar was gebeurd, kwam en viel voor Hem neer en zei Hem de hele waarheid.

34 En Hij zei tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw kwaal.

35 Terwijl Hij nog sprak, kwamen er van de overste van de synagoge, die zeiden: Uw dochter is gestorven; wat valt u de Meester nog lastig?

36 Jezus luisterde echter niet naar het woord dat werd gesproken en zei tot de overste van de synagoge: Wees niet bang, geloof alleen.

37 En Hij stond niemand toe Hem te volgen dan Petrus, Jakobus en Johannes, de broer van Jakobus.

38 En zij kwamen in het huis van de overste van de synagoge, en Hij zag misbaar en lieden die luid weenden en jammerden.

39 En toen Hij naar binnen was gegaan, zei Hij tot hen: Waarom maakt u misbaar en weent? Het kind is niet gestorven, maar slaapt.

40 En zij lachten Hem uit. Nadat Hij nu allen had uitgedreven, nam Hij de vader van het kind en de moeder en hen die bij Hem waren mee, en ging naar binnen waar het kind was.

41 En Hij greep de hand van het kind en zei tot haar: Talitha koem, dat is vertaald: Meisje, Ik zeg je, sta op!

42 En terstond stond het meisje op en liep; want het was twaalf jaar; en zij waren terstond buiten zichzelf met grote ontzetting.

43 En Hij gebood hun dringend dat niemand dit te weten zou komen; en Hij zei dat men haar te eten moest geven.