Bijbelboek - Markus

Hoofdstuk:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16

7:1 De oude traditie tegenover Gods opdracht
7:25 Jezus verjaagt een boze geest
7:31 De genezing van een dove man

Evangelie van Markus - hoofdstuk 7

1 En tot Hem verzamelden zich de farizeeen en sommigen van de schriftgeleerden die van Jeruzalem waren gekomen;

2 en toen zij zagen dat sommigen van zijn discipelen met onreine, dat is met ongewassen handen brood aten,

3 -want de farizeeen en al de Joden eten niet tenzij zij hun handen grondig wassen, daar zij de overlevering van de ouden houden;

4 en als zij van de markt komen, eten zij niet tenzij zij zich hebben gereinigd; en er zijn vele andere dingen die zij hebben aanvaard om zich daaraan te houden: reinigingen van drinkbekers en kannen en koperen vaten en rustbanken -

5 vroegen de farizeeen en schriftgeleerden Hem: Waarom wandelen uw discipelen niet volgens de overlevering van de ouden, maar eten het brood met onreine handen?

6 Hij zei echter tot hen: Treffend heeft Jesaja over u, huichelaars, geprofeteerd, zoals geschreven staat:' Dit volk eert Mij met de lippen, maar hun hart is ver van Mij vandaan;

7 en tevergeefs vereren zij Mij, door leringen te leren die geboden van mensen zijn'.

8 Terwijl u het gebod van God nalaat, houdt u de overlevering van de mensen.

9 En Hij zei tot hen: Treffend doet u het gebod van God te niet, opdat u uw overlevering bewaart.

10 Want Mozes heeft gezegd:' Eer uw vader en uw moeder', en:' Wie vader of moeder vloekt, moet de dood sterven'.

11 Maar u zegt:' Als een mens tot zijn vader of zijn moeder zegt: Het is korban (dat is: een gave), wat u ook van mij ten nutte zou kunnen komen', -

12 dan laat u hem niet meer toe iets voor zijn vader of zijn moeder te doen,

13 terwijl u het woord van God krachteloos maakt door uw overlevering die u hebt overgeleverd; en vele dergelijke dingen doet u.

14 En toen Hij opnieuw de menigte bij Zich had geroepen, zei Hij tot hen: Hoort allen naar Mij en verstaat.

15 Er is niets dat van buiten de mens in hem gaat dat hem kan verontreinigen; maar wat uit de mens naar buiten gaat, dat is het wat de mens verontreinigt.

16 Als iemand oren heeft om te horen, laat hij horen!

17 En toen Hij van de menigte in huis was gekomen, vroegen zijn discipelen Hem naar de gelijkenis.

18 En Hij zei tot hen: Bent u ook zo onverstandig? Begrijpt u niet, dat alles wat van buiten in de mens gaat, hem niet kan verontreinigen?

19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in de buik en gaat in het toilet naar buiten, - waardoor Hij alle spijzen rein verklaarde.

20 Hij nu zei: Wat uit de mens naar buiten gaat, dat verontreinigt de mens.

21 Want van binnen uit het hart van de mensen gaan naar buiten de kwade overleggingen, hoererijen,

22 diefstallen, moorden, overspel, hebzucht, boosheden, bedrog, losbandigheid, een boos oog, lastering, hoogmoed, onverstand;

23 al deze boze dingen komen van binnen uit voort en verontreinigen de mens.

24 Hij nu stond vandaar op en ging weg naar het gebied van Tyrus en Sidon; en toen Hij een huis was binnengegaan, wilde Hij niet dat iemand het wist; Hij kon echter niet verborgen blijven.

25 Maar een vrouw, wier dochtertje een onreine geest had, hoorde terstond van Hem en kwam en viel aan zijn voeten neer

26 (deze vrouw nu was een Griekse, een Syro-fenicische van geboorte);

27 en zij vroeg Hem de demon uit haar dochter uit te drijven. Maar Hij zei tot haar: Laat eerst de kinderen worden verzadigd, want het is niet juist het brood van de kinderen te nemen en het de honden voor te werpen.

28 Maar zij antwoordde en zei tot Hem: Ja Heer, maar ook de honden eten onder de tafel van de kruimels van de kinderen.

29 En Hij zei tot haar: Vanwege dit woord, ga heen, de demon is uit uw dochter gegaan.

30 En toen zij was weggegaan naar haar huis, vond zij het kind op bed liggen en de demon uitgegaan.

31 En toen Hij weer uit het gebied van Tyrus was weggegaan, kwam Hij door Sidon naar de zee van Galilea, midden door het gebied van Dekapolis.

32 En zij brachten een dove bij Hem die moeilijk sprak, en smeekten Hem deze de hand op te leggen.

33 En Hij nam hem van de menigte afzonderlijk, stak zijn vingers in zijn oren en na gespuwd te hebben raakte Hij zijn tong aan;

34 en Hij keek op naar de hemel, zuchtte en zei tot hem: Effatha! dat is: Word geopend!

35 En terstond werden zijn oren geopend en de band van zijn tong werd los en hij sprak goed.

36 En Hij gebood hun dat zij het niemand zouden zeggen; maar wat Hij hun ook gebood, zij verbreidden het des te overvloediger.

37 En zij stonden bovenmate versteld en zeiden: Hij heeft alles voortreffelijk gedaan, en Hij doet de doven horen en de stommen spreken.