Bijbelboek - Markus

Hoofdstuk:
1
2
3
4
5
6
7
8
9
10
11
12
13
14
15
16

9:1 Verheerlijking op de berg
9:14 Jezus reist verder
9:30 Tweede aankondiging van lijden, dood en opstanding
9:33 De belangrijkste onder de discipelen
9:38 'Wie niet tegen ons is…'
9:42 Verleiding tot zonde

Evangelie van Markus - hoofdstuk 9

1 En Hij zei tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, dat er sommigen zijn van hen die hier staan, die de dood geenszins zullen smaken voordat zij hebben gezien dat het koninkrijk van God is gekomen met kracht.

2 En na zes dagen nam Jezus Petrus, Jakobus en Johannes mee en bracht hen afzonderlijk op een hoge berg alleen. En Hij werd in hun bijzijn van gedaante veranderd;

3 en zijn kleren werden blinkend, hel wit, zoals geen volder op aarde wit kan maken.

4 En hun verscheen Elia met Mozes, en zij onderhielden zich met Jezus.

5 En Petrus antwoordde en zei tot Jezus: Rabbi, het is goed dat wij hier zijn, en laten wij drie tenten maken, voor U een, voor Mozes een en voor Elia een.

6 Want hij wist niet wat hij moest antwoorden, want zij waren zeer bang geworden.

7 En er kwam een wolk die hen overschaduwde, en er kwam een stem uit de wolk: Deze is mijn geliefde Zoon, hoort Hem.

8 En toen zij rondkeken, zagen zij plotseling niemand meer bij zich dan Jezus alleen.

9 En terwijl zij van de berg afdaalden, gebood Hij hun dat zij niemand zouden vertellen wat zij hadden gezien, voordat de Zoon des mensen uit de doden was opgestaan.

10 En zij hielden dit woord vast, terwijl zij zich onder elkaar afvroegen wat het was: uit de doden opstaan.

11 En zij vroegen Hem aldus: Waarom zeggen de schriftgeleerden dat eerst Elia moet komen?

12 Hij nu zei tot hen: Elia komt wel eerst en herstelt alles, en hoe staat er geschreven van de Zoon des mensen, dat Hij veel moet lijden en als niets geacht worden?

13 Maar Ik zeg u dat Elia ook gekomen is, en zij hebben met hem gedaan alles wat zij wilden, zoals van hem geschreven staat.

14 En toen zij bij de discipelen kwamen, zagen zij een grote menigte om hen heen, en schriftgeleerden die met hen redetwistten.

15 En terstond, toen de hele menigte Hem zag, werden zij ontsteld; en zij liepen op Hem toe en groetten Hem.

16 En Hij vroeg hun: Waarover redetwist u met hen?

17 En een uit de menigte antwoordde Hem: Meester, ik heb mijn zoon bij U gebracht die een stomme geest heeft;

18 en waar hij hem ook aangrijpt, werpt hij hem neer, en hij schuimt, knarst met zijn tanden en verstijft; en ik heb uw discipelen gezegd dat zij hem moesten uitdrijven, en zij waren er niet toe in staat.

19 Hij nu antwoordde hun en zei: O ongelovig geslacht, hoe lang zal Ik nog bij u zijn? Hoe lang zal Ik u nog verdragen? Brengt hem bij Mij.

20 En zij brachten hem bij Hem. En toen de geest Hem zag, liet hij hem terstond stuiptrekken; en op de grond gevallen wentelde hij zich, al schuimend.

21 En Hij vroeg zijn vader: Hoe lang is het al dat hem dit overkomt?

22 En hij zei: Van zijn jeugd af; en dikwijls heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen om hem om te brengen; maar als U iets kunt, wees met ontferming over ons bewogen en help ons!

23 Jezus nu zei tot hem:' Als U kunt!' - alle dingen zijn mogelijk voor hem die gelooft.

24 Terstond riep de vader van het kind onder tranen de woorden: Ik geloof, kom mijn ongeloof te hulp!

25 Toen nu Jezus zag dat een menigte kwam toelopen, bestrafte Hij de onreine geest en zei tot hem: Stomme en dove geest, Ik beveel je: ga uit van hem en kom niet meer in hem!

26 En terwijl de geest riep en hem hevig liet stuiptrekken, ging hij uit; en hij werd als een dode, zodat de meesten zeiden dat hij was gestorven.

27 Maar Jezus greep hem bij de hand en richtte hem op; en hij stond op.

28 En toen Hij in huis was gegaan, vroegen zijn discipelen Hem afzonderlijk: Waarom konden wij hem niet uitdrijven?

29 En Hij zei tot hen: Dit geslacht kan door niets uitgaan dan door gebed en vasten.

30 En zij gingen vandaar weg en reisden door Galilea. En Hij wilde niet dat iemand het wist;

31 want Hij leerde zijn discipelen en zei tot hen: De Zoon des mensen wordt overgeleverd in handen van mensen en zij zullen Hem doden; en na gedood te zijn zal Hij na drie dagen opstaan.

32 Zij verstonden dit woord echter niet en waren bang Hem ernaar te vragen.

33 En zij kwamen in Kapernaum; en toen Hij in huis was, vroeg Hij hun: Wat hebt u onderweg overlegd?

34 Zij zwegen echter, want onderweg hadden zij er onder elkaar woorden over gehad wie de grootste was.

35 En Hij ging zitten, riep de twaalf en zei tot hen: Als iemand de eerste wil zijn, zal hij de laatste van allen en aller dienstknecht zijn.

36 En Hij nam een kind en plaatste het in hun midden; en Hij nam het in zijn armen en zei tot hen:

37 Wie een van zulke kinderen ontvangt in mijn naam, ontvangt Mij; en wie Mij ontvangt, ontvangt niet Mij, maar Hem die Mij heeft gezonden.

38 Johannes zei tot Hem: Meester, wij zagen iemand die ons niet volgt, in uw naam demonen uitdrijven, en wij hebben het hem verhinderd, omdat hij ons niet volgde.

39 Jezus echter zei: Verhindert het hem niet; want er is niemand die een kracht zal doen in mijn naam en kort daarna smadend van Mij zal kunnen spreken.

40 Want wie niet tegen ons is, is voor ons.

41 Want wie u een beker water zal te drinken geven vanwege het feit dat u van Christus bent, voorwaar, Ik zeg u, dat hij zijn loon geenszins zal verliezen.

42 En wie een van de kleinen die in Mij geloven, een aanleiding tot vallen is, het zou beter voor hem zijn als een molensteen om zijn hals gedaan en hij in de zee geworpen was.

43 En als uw hand u een aanleiding tot vallen is, hak die af; het is beter voor u verminkt het leven in te gaan, dan met twee handen naar de hel te gaan, naar het onuitblusbare vuur.

45 En als uw voet u een aanleiding tot vallen is, hak die af; het is beter voor u kreupel het leven in te gaan, dan met twee voeten in de hel geworpen te worden.

47 En als uw oog u een aanleiding tot vallen is, werp het uit; het is beter voor u met een oog het koninkrijk van God in te gaan, dan met twee ogen in de hel geworpen te worden,

48 waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.

49 Want ieder zal met vuur gezouten worden.

50 Het zout is goed; als nu het zout zouteloos wordt, waarmee zult u het smakelijk maken? Hebt zout in uzelf en houdt vrede onder elkaar.